Saskia Goldschmidt

Schrijver

  • Home
  • Nieuws
  • Agenda
  • Boeken
    • Na de oorlog
      • Na de oorlog: Boek
      • Na de oorlog in de Media
      • Na de oorlog recensies
      • Na de oorlog: Gastspreker
      • Persmap Na de oorlog
    • Kukuruznik
      • Kukuruznik reacties
      • Kukuruznik recensies
      • Kukuruznik in de media
      • Persmap Kukuruznik
    • Schokland
      • Schokland in de Media
      • Schokland recensies
      • Schokland reacties
      • Schokland Persmap
      • Schokland vertalingen
      • Schokland bronnen
    • Veel succes met uw enthousiasme
    • Voddenkoningin
      • Bronnen
      • Recensies
      • Reacties
      • Voddenkoningin in de Media
      • Vertalingen
      • Persmap De Voddenkoningin
    • De hormoonfabriek
      • Recensies
      • Reacties
      • Media
      • Vertalingen
      • Hoorspel
      • Persmap De Hormoonfabriek
    • Verplicht gelukkig
      • Recensies
      • Reacties
      • De voorstelling
      • Media
      • Persmap Verplicht gelukkig
    • Ander werk
  • Blog
  • Saskia Goldschmidt
    • Biografie
    • Media
    • Contact
  • English
    • Biography
    • Shocked Earth
    • The Vintage Queen
    • The Hormone Factory
      • Notes from the author
      • Factsheet
      • Praise
      • Translations
    • Obliged to be happy
  • Facebook
  • LinkedIn

Misschien wordt ons vandaag toch nog een woord geschonken…

22 december 2011

Vandaag werd ik getroffen door een gedicht, dat geschreven is in een tijd, dat de onmenselijkheid tot levenswijze was verheven en dat vandaag helaas nog niets aan actualiteit heeft ingeboet.

Rochl Korn werd in 1898 geboren in het dorp Podliski, Galicië. In 1919 begon zij in het Jiddisch te schrijven en te publiceren. In 1939 vluchtte zij voor de nazi’s naar Rusland. Van 1946 tot 1948 verbleef zij in Stockholm, om daarna naar Canada te emigreren. Ze overleed in 1982 in Montreal. En ergens tussen 1919 en haar sterfdatum schreef ze Mijn heer. Deze informatie en het prachtige gedicht, is afkomstig uit de bundel: Sprakeloos water, spiegel van de moderne Jiddische poëzie, samengesteld en vertaald door Willy Brill en uitgegeven bij Meulenhoff.

Ik wil je dringend vragen het te lezen en tot je door te laten dringen, voordat je de kerstdagen in gaat:

Mijn heer

Mijn heer, bent u misschien vandaag net zo ontheemd als ik
omdat het menselijk hart u buitensloot als ongewenst,
bent u ook onderweg naar eenzaamheid als ik,
verplaatst u zich van deur naar deur, van grens naar grens?

Waar vinden wij een toevlucht, Heer, voor onze dromen
zodat zij niet verteren in het aanstormende vuur?
Het sodomt reeds alom, er kan een zondvloed komen
alleen door onze eigen tranen, een speling der natuur.

Het sodomt reeds alom, de nacht komt aan, het donkert –
o, vraag mij niet, mijn Heer, waarheen de weg ons leidt,
misschien wordt ons vandaag toch nog een woord geschonken,
een menselijk woord, dat drempel wordt, en dak, en veiligheid.

En mocht je de petitie voor een generaal kinderpardon nog niet getekend hebben, zou je dat, voor je aan de kerstdis gaat, nog even willen doen?

Ik wens iedereen prachtige en menselijke feestdagen toe,
en een nieuwjaar, waarin je je welkom kunt voelen.

 

sportschool-blues

26 november 2011

Zaterdagochtend, dertig zwetende sportievelingen nemen deel aan de populaire spinningles.

We zitten op onze fietsen en op de beat van de luide house-muziek, onder leiding van spinning-juf Moniek trappen we ons naar het einde van de les toe. We naderen de finale en de weerstand moet omhoog; het verzet wordt opgevoerd van twaalf naar vijftien, naar zeventien, naar twintig. Loodzwaar is het, de beenspieren lopen vol, het zweet gutst van onze lijven af. Door haar microfoon roept Moniek ons aanmoedigingen toe. ‘Wie gaat er mee naar vierentwintig en wie kan nog hoger’ daagt ze uit. ‘Achtentachtig,’ grapt een van de deelnemers, een vijftigjarige man met een indrukwekkende buikomvang, waaraan zijn regelmatige spinning-inspanningen nu niet direct zijn af te lezen. Moniek, een twintiger met een perfect figuur, grinnikt hem toe. ‘Dat zal je gewicht wel wezen,’ zegt ze. Achtentachtig is voor haar ongetwijfeld een afschrikwekkende hoeveelheid kilo’s. Maar ja, ook kilo’s zijn relatief. Ik schat dat het gewicht van de man toch minstens negennegentig kilo moet zijn. ‘Was het maar waar’ verzucht hij dan ook en zet zijn verzet nog een tandje hoger. Voordat hij op achtentachtig zit, zal hij nog heel veel kilometers moeten wegtrappen. En er zal een een bierstop voor nodig zijn, schat ik zo in.

Waterkoud

17 november 2011

Een mistige ochtend. Waterkoud, wat ik een prachtig woord vind, maar een akelige toestand.

Op weg naar een training fietste ik in de vroege ochtend naar de pont over het IJ. Voor ik het spoorviaduct onderdoor fietste, zag ik een magere man, met hoog opgetrokken schouders zwalkend over de stoep lopen, vlak langs de waterkant. Verder was het doodstil op straat. Ik fietste onder het viaduct door en merkte op dat de man plotseling verdwenen was. Dat was vreemd, hij zou pas halverwege de passage moeten zijn. Ik zocht met mijn ogen de waterkant af en zag hem in het ijskoude water dobberen. Zijn windjack bolde op, zijn armen maaide wild door het water en hij stootte woedende klanken en vloeken uit. Er was niemand onder de brug te zien. Ik smeet mijn fiets neer, ging voorover liggen en reikte hem mijn hand. ‘Godsgloeiende kankertyfus’ schold de man, terwijl hij om zich heen sloeg. Een golf water gutste zijn geopende mond binnen, wat geproest en nog meer gevloek opleverde. ‘Pak mijn hand vast,’ schreeuwde ik hem toe, trachtend zijn gescheld te overstemmen. Zonder zijn gevloek te onderbreken deed hij een greep naar mijn hand, zetten zijn benen tegen de wallenkant aan en ik trok zo hard als ik kon. Even leek hij mij het water in te trekken, maar gelukkig bleek hij met zijn benen voldoende grip te krijgen op de muur en in een mum van tijd stond hij druipend op de kant.

Terwijl ik opstond schudde hij zich uit, als een verzopen hond, keurde me geen blik waardig en zwalkte luid scheldend naar de overkant van de straat, waar hij verdween door de deur van Blaka Watra, het opvangcentrum voor verslaafden. De man was zo ver heen, dat ik me afvroeg of hij het verschil zou merken tussen het zwarte water waar hij zojuist druipend uit was getrokken en het Blaka watra dat hij net was binnengestapt.

Ik poogde de modder van mijn smaakvolle trainingsjurkje af te vegen en bedacht ik dat ik nooit eerder een mensenleven gered had. Dat is een mooi gevoel, maar het feit dat de persoon in kwestie dat zelf niet eens had opgemerkt, deed wel iets af aan de triomf. De zwarte moddervlek was niet helemaal uit mijn trainingsjurkje te vegen. Ik pakte mijn fiets op en vervolgde mijn weg door de vroege winterochtend, die waterkoud aanvoelde.

Mexico 2

16 november 2011

Vorige week was ik uitgenodigd bij een leesclub. Ik stelde me voor dat er een stuk of zes lezeressen zouden zijn, maar bij binnenkomst trof ik achttien vriendelijke en enthousiaste dames. Voor de gelegenheid had de organisatrice van de bijeenkomst een tweede leesclub uitgenodigd en waren ook een aantal vriendinnen aangeschoven. Ik speelde als smaakmakertje twee scènes uit mijn voorstelling, waarop enthousiast gereageerd werd: veel geknik en gelach. Het werd een mooie avond. Er ontstond een geanimeerd gesprek. Ik vond het een bijzondere ervaring om me in een kring van mensen te bevinden, die allemaal mijn boek op schoot hadden liggen en uit de vragen lieten blijken, dat ze het intensief gelezen hadden. Een ontmoeting met allemaal dames ‘die uit Mexico kwamen,’ net als de vrouw uit mijn vorige post. Voor de meeste van hen zat er veel herkenbaars in mijn verhaal. Toen ik hen vertelde dat ik niet lang daarvoor de uitdrukking: ‘Kom je ook uit Mexico’ geleerd had, barsten ze allen in lachen uit. Voor hen was deze uitdrukking gesneden koek.

Een van de dames kende de herkomst van deze uitdrukking. Het moet een verbastering geweest zijn van de uitspraak: ‘Macht sie keiner’. Oorspronkelijk gebezigd door Nederlandse joden die daarmee joden uit Duitsland beschreven. De behoefte zich te onderscheiden is niemand vreemd. Of het de geschiedenis is, die de oorspronkelijke tekst van de uitdrukking heeft doen veranderen, of de onduidelijke articulatie van menig murmelend oudje, daar ben ik nog niet achter. Er zullen wel een aantal generaties overheen zijn gegaan, voordat de verbastering een feit was.

Het was een leerzame avond, vol verhalen met een vleugje weemoed, soms ontroering en veel gelach.
En met veel heerlijkheden, want die ontbreken nooit bij hen uit Mexico!

Kom je ook uit Mexico?

3 november 2011

Van de week speelde ik in de mooi opgezette boekenwinkel Iwema waar, mede dankzij een goed reclamebeleid van de eigenaresse, een groot publiek was toegestroomd voor Verplicht gelukkig, de voorstelling.

Er was sprake van een aandachtig gehoor. Mannen en vrouwen, jong en oud. Zo wil ik het graag!
In het publiek zat een vrouw die me bekend voorkwam. Ze keek met enthousiaste blik, ze knikte dikwijls, alsof ze veel herkende. Soms lachte ze hardop, wat niet iedere kijker durft te doen. Ze liet voelen dat het aankwam wat ik speelde en vertelde. Een fijn iemand om in het publiek te hebben.

Tijdens het signeren stond ze voor mijn tafel. ‘Kennen we elkaar niet?’ vroeg ik haar. ‘Nee’ zei ze, ‘we kennen elkaar niet, maar ik kom ook uit Mexico, dat zal het zijn.’

Ik keek haar vragend aan. Mexico? Nog nooit in mijn leven geweest. Ze sprak accentloos Nederlands en zag er niet uit alsof ze geworteld was in Zuid-Amerikaanse contreien. Ze lachte. Ken je die uitdrukking niet? ‘Kom je ook uit Mexico, dat zeggen we, als je beschroomd bent om te vragen of je ook joods bent.’

Die houden we erin. Geen voorzichtig polsen meer, als je vermoed dat een ander wellicht ook…. Niks ervan, recht erop af: ‘Kom je ook uit Mexico?’
En dan maar hopen dat de ander met deze uitdrukking bekend is.

 

Het Tropenmuseum en de neuscorrectie

24 oktober 2011

Ze liep met snelle passen langs. De kleine peuter die haar rechterhand vasthield, kon haar ternauwernood bijhouden. In haar linkerhand hield ze een paar doosjes medicijnen, terwijl ze tegelijkertijd trachtte met dezelfde hand een sjaal voor haar gezicht te houden. Toen ik haar passeerde, schoof de stof een beetje naar beneden en werd het stukje pleister op de neus zichtbaar. Een neuscorrectie dus, die gepaard leek te gaan met veel gêne.

Mijn gedachten gingen terug naar Teheran, 2003-2006. Ik kwam daar in die tijd een aantal keren in opdracht van het nu in haar voortbestaan bedreigde Tropenmuseum. We werkten aan een uitwisselingsproject tussen kinderen hier en daar. Een van de dingen die opvielen in het straatbeeld van Teheran was het grote aantal bepleisterde neuzen. Het leek wel of een op de tien vrouwen zojuist een neuscorrectie had ondergaan. Navraag leerde dat de neuscorrecties in het land een enorme vlucht hadden genomen, sinds het regime de alles verhullende kledij voor vrouwen verordonneerd had. Als alleen het gezicht getoond mag worden, dan moet dat enige stukje persoonlijkheid wel zo perfect mogelijk zijn. Maar niet alle dames die een neuscorrectie verlangden, hadden daarvoor de financiële middelen. En dus was het grote mode om, als je geen geld had om je neus tot meest ideale lichaamsdeel te laten boetseren, dan als pleister op de wonde in godsnaam maar een pleister op je neus te plakken. Om je dan naar buiten te spoeden. De verbonden neus in de lucht, opdat voorbijgangers zouden denken, dat je een van de draagkrachtigen was, die zichzelf van een nieuwe neus kon voorzien.

Het dient geen enkel economisch belang om te weten dat men in de straten van Teheran vanuit een ander perspectief aankijkt tegen een neuscorrectie dan op de Amsterdamse Overtoom. Toch is het dichtbij halen van een andere wereld, het buiten je eigen context kunnen kijken, het verbreden van je horizon, een essentieel vermogen voor ieder mens. Het maakt dat je jezelf wat kunt relativeren. Dat je leert zien, dat er meerdere opties zijn om tegen de wereld en het leven aan te kijken. Dat vermogen in mensen naar boven halen, is de kracht van het Tropenmuseum. Niet-westerse culturen belichten, inzoomen op de verschillen en helder maken, hoeveel er is dat ons, mensen van over de hele wereld, bindt.

In Teheran loopt een vrouw, gehuld in een wijd gewaad dat haar ranke figuur verbergt, met een hoofddoek over Ferdosistreet, ze steekt haar bepleisterde neus trots in de lucht. In Amsterdam wordt het herfst, de bomen verliezen hun bladeren, de duisternis valt al vroeger in. Ik zie een jonge moeder zich beschaamd over de Overtoom haasten. En hoop, dat Ben Knaapen bij zinnen komt, voordat een imposant en belangwekkend museum, dat de belichaming is van onze geschiedenis, geamputeerd wordt als een neus waarop geen correctie wordt uitgevoerd, maar die uit het gezicht wordt weggesneden. En een weggesneden neus, dat weet iedereen, krijg je nooit meer terug.

Toen werd het weer stil

3 oktober 2011

Ik was de afgelopen weken in de gelukkige omstandigheid vakantie te houden op een plek, waar niets anders te horen was dan het geluid dat wij, familie en vrienden, voortbrachten. Daarnaast hoorde je soms de wind, die door de bomen ruiste. Iedere middag verschenen twee of drie buizerds, die met hun kenmerkende Pieeeuuuw kenbaar maakten dat ze op jacht waren. Verder was het stil. De rust werd nog versterkt door het gebrek aan bereik. Geen telefoon, geen internet, geen televisie of zelfs radio. Deze tegenwoordige unieke onstandigheid bood alle ruimte voor meditatieve activiteiten zoals het verslinden van boeken, het bespreken van onze dagelijkse, tamelijk gelukzalige toestand en de zorgelijke ontwikkelingen in de wereld, het verpozen in het zwembad en het tot ons nemen van vers en zongerijpt voedsel, dat met veel knoflook en olijfolie werd bereid, meestal door mijn lief, de meesterkok. De overheerlijke wijn tenslotte vervolmaakte deze idylle.

Tot op een vroege morgen de stilte werd verbroken door een oorverdovend geblaf van een, nee twee, nee drie honden. Door het raam kijkend en om het huis lopend waren ze niet te zien. Het opdringende geluid hield niet op, in tegendeel, het werd steeds harder en kwam dichterbij, totdat op een gegeven moment de roedel ergens in de directe omgeving tot stilstand moest zijn gekomen, te horen aan het constante geblaf dat onze stilte bleef doorbreken. Na de eerste koffie ging ik op onderzoek uit. Ik beklom de berg, waar het geluid van de misschien wel wilde dieren vandaan kwam. Boven werd het pad versperd door een hoog hek. Daar zag ik de oorzaak van het tumult.

Pal achter het hek stond een reusachtig wild zwijn, zwart, dik en met een enorme lange stompe neus, waarmee ze in betere tijden misschien de heerlijkste truffels wist op te graven. Maar nu had ze andere zorgen. Haar jong, klein, bruin en nog onbehaard, verstopte zich achter haar voor de drie jachthonden, die hen in deze hoek hadden gedreven maar verder ook niet wisten wat ze met de buit aan moesten, omdat er kennelijk nergens in de omtrek een jager was die het karwei af kon maken. Zo hadden drijvers en prooi zichzelf urenlang in de tang gehouden: moeder en kind tegen het hek, de drie honden in een ruime cirkel om hen heen. Even stonden zwijn en ik oog in oog met elkaar. Toen besloot het in het nauw gejaagde beest dat drie jachthonden te verkiezen waren boven een lang, roodharig vrouwmens in bikini-topje en huppelrokje achter een hek. Het beest knorde vervaarlijk, naar mij, niet naar de jachthonden, en waggelde in een voor haar ongetwijfeld snel tempo recht op de jachthonden af, die verschrikt door de plotseling gewijzigde omstandigheden ruimte voor haar maakten. Ze verdween in de struiken, het jong wiegelde achter haar aan. De drie jachthonden verdwenen blaffend achter hen in de bosjes, en waren snel buiten gehoorsafstand.

Vanaf dat moment was het weer stil.
Tijd voor een duik in het zwembad, om daarna snel door te lezen in Retour Palermo van Philip Snijder.

Het voorstel van de dag!

15 augustus 2011

Ik wil graag minimaal vier maanden van uw tijd, maar het kan ook wel een paar maanden uitlopen. Zeker twintig uur per week. Daarvoor levert u ons teksten en bent bereid ze te herschrijven als we dat willen. We spreken af dat u ook teksten van anderen leest en van commentaar voorziet. U belooft eens in de twee weken op redactievergaderingen te verschijnen. Wat een eer dat u mee mag schrijven aan ons project, nietwaar?

O ja, de verdiensten? We werken uitsluitend op royalty-basis. Dus, als het project niet ergens tijdens de lange productiefase sneuvelt, en als we uiteindelijk besluiten de methode ook werkelijk uit te geven, en als we in die drie of vier jaar die er zit tussen uw schrijven en de verkoop van de methode niet al failliet zijn gegaan, dan zult u, inshallah, een klein percentage van de winst ontvangen. Zo doen we dat altijd.

Nee, niet met iedereen. Natuurlijk alleen met de schrijvers. De directeur, de uitgever, de vormgever, de secretaresse, de zetter, de drukker, ze krijgen allemaal direct betaald. Keurig volgens de CAO of volgens hun freelance-contract. Maar schrijvers, nee, daar kunnen we niet aan beginnen. Zoveel risico kunnen we in deze slechte tijden echt niet te nemen.

Goh, u ook niet? U kunt van de lucht niet leven? U weet toch dat u als schrijver geen eisen kunt stellen. Dan had u maar directeur moeten worden. Van een ziekenhuis of een bank. Of van een grote uitgeverij.

Liberale revolutie?

10 juli 2011

Er heerst een gevaarlijke epidemie in Waterland. ‘Schilderen lantaarnpalen’ schreeuwen zwarte letters overal vanaf knalgele ondergrond je toe, met daarboven een rode driehoek met een zwart uitroepteken op witte ondergrond. Dat internationale waarschuwingsbord geeft aan dat de voorbijganger bedreigd wordt door grote gevaren.

Van onze zo daadkrachtige regering mogen we toch verwachten, dat hun communicatie met de burger gevoerd wordt in perfect Nederlands. Daarover heb ik bij de tekst op dit bord mijn grote twijfels.

Want wat moet de voorbijganger zich bij deze waarschuwing voorstellen? Schilderen lantaarnpalen! is voor velerlei interpretaties vatbaar en in elk geval krakkemikkig Nederlands.

Gezien de nadruk die de regering op eigen verantwoordelijkheid legt, zou het kunnen betekenen dat ‘de controleur’ geconstateerd heeft dat de lantaarnpalen een verfje kunnen gebruiken en op deze wijze de Waterlander attent wil maken op zijn burgerplicht de verlichting in zijn straatje een verfbeurt te geven. Gezien het uitroepteken is dit geen voorstel of vraag, maar een uitdrukkelijk bevel. In dat geval was het handig geweest een deadline aan te geven, wanneer de controleur terugkomt om na te gaan of de burger aan zijn plicht voldaan heeft. En misschien ook een advies over de kleur die gebruikt moet worden, of betekent de verzelfstandiging van de burger ook dat deze zelf mag kiezen welke kleur zijn of haar lantaarnpaal krijgt?

Of is het een oproep van Halbe Zijlstra, die een nieuwe activiteit voor kunstenaars heeft bedacht? Geen gekladder meer op canvas, doe iets nuttigs, verf het land! Dit is misschien het begin van de liberale revolutie, waarbij de kunstenaars een nieuwe taak in het leven krijgen: lantaarnpalen schilderen. En als ze daarmee klaar zijn, verschijnt een nieuw bord: Schilderen hekjes! Schilderen bankjes! Schilderen openbare toiletten! Dat zal ze leren. Zo wordt ons opgeschilderde land eindelijk de plek waarbij men de vingers vol terpentijn af kan likken.

Ik zie nog één andere mogelijkheid; hier wordt de voorbijganger gewezen op een uniek fenomeen, namelijk dat de lantaarnpalen zelf aan het schilderen slaan. Dat is natuurlijk nog nooit ergens ter wereld vertoond en verdient onze oprechte trots. In Griekenland zie ik ze dat nog niet doen, daar geven de lantaarnpalen straks niet eens meer licht. Dit kunnen alleen echte, Nederlandse lantaarnpalen. Maar ook hierbij geldt, dat de informatie betrekkelijk summier is. Want wanneer doen die lantaarnpalen dat dan, overdag, ’s nachts? Kun je daar gewoon naar kijken, of durven ze dan niet meer? Moet je je verstoppen in een speciaal daarvoor aangelegde lantaarnpaalkijkhut?

Kortom Mark Rutte, voordat je van je welverdiende vakantie gaat genieten, graag nog even de bezem door de afdeling communicatie. In plaats van vijfendertig procent Nederlands repertoire (Frans woord, één strafpunt), eerst correct en helder Nederlands op de borden in Hollandse straten.

 

Endorfine-kick

6 juli 2011

Toen de endorfine werd uitgedeeld heb ik even niet opgelet en dus heb ik te weinig van dat vrolijk-stemmende goedje in mijn lichaam. Daardoor ben ik geneigd tot sombere bespiegelingen en inactiviteit. Gelukkig bestaat er een goede remedie tegen dit gebrek en dat is beweging. Vijf van de zeven dagen in de week beginnen voor mij met meer dan gemiddelde activiteit. Ik trap me regelmatig het leplazerus in de spinningles op de sportschool, doe daar aan power-yoga, zwem mezelf buiten adem in het vijftigmeterbuitenbad, of ik doe vroeg in de ochtend een rondje Waterland. En hoewel alle activiteiten een groot gevoel van tevredenheid tot gevolg hebben, is het rondje Waterland de gelukzaligste. Want daar wordt de endorfine-aanmaak begeleid door een feest van sensaties, die een mens werkelijk verzoenen met het bestaan op aarde.

Het begint met de begroeting van de onvermijdelijke aalscholver, die op het paaltje in het Buiten-IJ zijn vleugels spreidt als ik de Schelllingwouderbrug overrijdt. Natuurlijk doet die dat omdat hij op zijn beurt behept is met een klein handicap, en dit de enige manier is waarop zijn vleugels drogen. Maar ik beschouw het als een begroeting met open armen: “Ha Goldschmidt, fijn dat je er weer bent!’ en dat ben ik met hem eens. Bij Durgerdam de dijk op, waar het IJselmeer schittert in de zon, of de wolken weerspiegeld worden in het water, de wind me tegenmoet of in de rug blaast en het riet ruist. Langs het vogeleiland, de broedplaats van talloze watervogels. Het is de enige plek die ik ken, waar het geluid van duizenden kwakende, kwetterende, schreeuwende, krijsende vogels ieder ander geluid overtreft. Zuivere gelukzalig-makende muziek. De grutto’s, de kluten, de wulpen zijn al weer vertrokken, lijkt het. Maar soms zweeft de buizerd over het veld, de kievieten schreeuwen boven het weiland, de scholeksters wroeten met hun oranje snavels in de grond en dit jaar wonen er twee lepelaars, die dikwijls onverstoorbaar met hun brede snavels door het slootwater schoffelen.

Zo ’s morgens vroeg is het nog stil op de dijk, een enkele sportieve naaktzwemmer, altijd oude mannen, daargelaten. Na de dijk naar Marken terug door het groene polderland, waar de enige zorg weerspiegeld wordt in een lekkend dijkje, dat dat al twee jaar doet en een steeds grotere natte plas op de weg veroorzaakt. Een tsunami van water bedreigt het lage land!

Het eerste deel van de tocht doe ik in matig tempo, en wordt regelmatig onderbroken door het vogels spotten. Eenmaal tussen de weilanden, is het tijd voor het trekken van sprintjes. Wanneer ik tenslotte bij de pont van de Meeuwenlaan arriveer en daar zo’n fantastische cappuccino drink die gebrouwen wordt door de Italiaanse mevrouw uit het kleine versnaperingshuisje, lacht het leven me weer tegemoet.

Zeshonderd calorieën lichter en vol endorfine. De dag kan beginnen!

 

  • Vorige
  • 1
  • …
  • 17
  • 18
  • 19
  • 20
  • 21
  • …
  • 24
  • Volgende

Translated

Die Vintage Queen La Fabrique des Hormones, Gallimard Die Hormoonfabriek, Protea Boekhuis The Hormone Factory, The Other Press Die Glücksfabrik, DTV Shocked Earth Vintage Queen, Traduction Français

LEZINGEN

Saskia is aangesloten bij De Schrijverscentale (voor lezingen in boekwinkels en bibliotheken). Belangstelling?
Kijk even bij Contact >>

Zoeken

Tags

4 mei Aardbevingen Aardbevingsroman Amsterdam boekenbal Dagboek uit Bergen-Belsen Dagboek van een landschap De Hormoonfabriek De hormoonfabriek De Voddenkoningin Die Glücksfabrik filmrechten Film Talents gasbevingen gastschrijverschap gaswinning groningen herdenken Hogeland Holocaust Jacques Audiard jaren zestig Jodenvervolging Kukuruznik La Fabrique d'hormones Laura Dols liefdadigheid Na de oorlog natuur Oldenburg Open Book Festival recensie Renata Laqueur Schokland South-Africa stoppen met drinken The Hormone Factory tweedehands kleding Tweede Wereldoorlog uitgeverij Cossee Verplicht Gelukkig verslaving vogels zestigerjaren Zuid-Afrika

Copyright © 2026 · Colofon